Hoofdstuk 1 De verkeerde kant van de tunnel
De melk voor zijn koffie lag op de bijrijdersstoel, tussen een pak vrachtbrieven en een doos afdichtringen. Bij de eerste rotonde schoof alles op de vloer.
‘Goedemorgen,’ zei Marcel de Geus tegen de doos.
Hij reed zijn kleine Mercedes verder over het bedrijventerrein in de Spaanse Polder. De ruitenwissers smeerden de Rotterdamse motregen over de voorruit. Achter hem stonden pomponderdelen voor een werkplaats in Vlaardingen, slangen voor een bedrijf in Botlek en drie pallets waarvan de ontvanger gisteren nog had beweerd dat hij ze nooit besteld had. Dat laatste betekende meestal dat Marcel een kwartier bij een gesloten deur mocht wachten terwijl twee mannen binnen elkaar belden.
Hij kende zijn rondje. Hij wist waar de koffie goed was, welke heftruckchauffeur je vóór zijn schaftpauze moest treffen en bij welk magazijn de bel alleen werkte als je er een flinke tik tegen gaf. Hij reed er inmiddels anderhalf jaar. Daarvoor had hij op de werkplaats geholpen, ritten meegereden en zijn papieren gehaald. Groot rijbewijs, aanhanger, gevaarlijke stoffen, de tankaanvulling: het zat allemaal in een map die veel minder kilometers maakte dan hijzelf.
Bij de derde klant bleef zijn mouw aan een spijker hangen. Bij de vierde was de heftruck leeg. Tegen halfelf vond hij tussen de papieren een briefje van planner Els van Dongen.
BEL ZODRA JE KUNT. HENK WIL JE SPREKEN.
Er stond geen uitroepteken achter. Bij Els betekende dat meer dan drie uitroeptekens bij iemand anders.
Marcel belde vanuit de kantine.
‘Ben je leeg?’ vroeg zijn baas.
‘Op één pallet na.’
‘Breng die terug. Gert ligt met koorts op bed.’
Marcel keek door de kantineruit naar zijn kleine vrachtwagen.
‘En?’
‘En zijn tank staat klaar voor Frankrijk.’
Op kantoor hing Henk Vermeer half uit zijn stoel. Een opengeslagen wegenatlas bedekte de broodtrommel. Els stond bij de fax, die met korte rukjes een vel naar buiten werkte.
‘Rouen,’ zei Henk. ‘Natronloog. Lossen voor Elf Atochem, in de omgeving van Rouen. Je krijgt het precieze adres mee. Daarna zien we wel wat er terug is.’
Marcel trok zijn natte jas uit. ‘Ik heb nog nooit alleen een tankrit naar Frankrijk gedaan.’
‘Je bent met Gert mee geweest.’
‘Drie keer. Tot Antwerpen.’
Henk wilde iets zeggen, maar Els legde haar hand op de atlas.
‘Hij zegt niet dat hij het niet kan. Hij zegt wat hij gedaan heeft.’
Even was alleen de fax te horen.
‘Je hebt gelijk,’ zei Henk. ‘We lopen alles door. Als je ergens over twijfelt, bel je. Ook als er iemand achter je staat te zuchten.’
Ze gingen naar buiten. Aan het einde van het terrein stond Gerts rode DAF 95.
De lak was bij de opstap dof van het gebruik. Achter de voorruit hing een klein vaantje; op het dashboard lag een wegenatlas. Marcel had de trekker vaker op het terrein verplaatst, maar nu moest hij ermee naar Frankrijk. Naast het bed stond Gerts koffiebeker. Aan bijna alles was te zien dat hij in de wagen van een ander stapte.
‘Gerts spullen gaan eruit,’ zei Henk. ‘Jouw spullen erin.’
Achter de DAF hing een gehuurde chemietank: verweerd roestvast staal, een grijze achterzijde, drie compartimenten. Ook de oplegger was voor Marcel een vreemde. Hij liep er met Els omheen, langzaam genoeg om vragen te kunnen stellen.
‘Deze blijft de hele rit bij je,’ zei Els. ‘Producten alleen na toestemming en de juiste reiniging. Iedere verandering gaat via mij.’
Henk overhandigde hem de sleutels.
‘Wanneer vertrek ik?’
‘Morgenochtend. Je gaat eerst naar huis voor kleding.’
Die avond stopte Marcel drie onderbroeken in een tas. Hij keek ernaar en deed er nog twee bij.
Zijn zus Anja belde terwijl hij een handdoek zocht.
‘Vrijdag eet je toch hier? Ik heb voor drie man gehakt gehaald, omdat jij komt.’
‘Als alles loopt zoals het moet.’
‘Dat klinkt niet als ja.’
‘Ik moet even naar Rouen.’
Na het gesprek zette hij de tas bij de deur. Daarboven hing de kaart van Rotterdam waarop hij vroeger met een potlood zijn eerste afleveradressen had aangestreept.
Frankrijk begon buiten het papier.
Hoofdstuk 2 Een geleende cabine
Om kwart over vijf stond Gert aan de telefoon. Zijn stem klonk alsof er grind in zijn keel lag.
‘Laat je door die bak niet opjagen,’ zei hij. ‘En de linker kast van de oplegger sluit slecht. Extra controleren. De slangenlijst zit bij de papieren.’
‘Ga slapen.’
‘Doe ik als ik klaar ben.’
Gert was nog lang niet klaar. Hij wilde weten of Marcel de tankdocumenten had gezien, of de bril goed paste en of de standkachel werkte. Daarna vroeg hij wie de opdracht had geregeld.
‘Een expediteur. Karel Vos.’
Aan de andere kant werd gehoest.
‘Die wil altijd dat gisteren morgen wordt. Jij rijdt vandaag. Onthou dat.’
Marcel legde de hoorn neer en liep met zijn zaklamp om de combinatie. Banden, aansluitingen, luiken, verlichting. Hij controleerde de koppeling en de nummers op de verzegelingen. Els had de lading, gewichten en verdeling gisteren met hem doorgenomen. De tank was voor dit werk geschikt bevonden. Toch las hij het blad nog een keer.
Henk kwam naar buiten met een thermoskan.
‘Van de zaak.’
‘De kan of de koffie?’
‘De koffie. Die kan wil ik terug.’
Toen de diesel aansloeg, verscheen er licht achter het raam van de werkplaats. Iemand stak zijn duim op. Marcel liet de luchtdruk opkomen, stelde zijn spiegels nog een keer en reed langzaam naar de uitgang.
Bij de eerste bocht volgde de tank later dan zijn kleine bakwagen. Dat wist hij. Toch hield hij zijn adem in tot de achterste wielen netjes vrij bleven van de stoeprand.
Voorbij Antwerpen begon de stad uit zijn schouders te zakken. De cabine rook naar koffie en het schoonmaakmiddel waarmee hij Gerts kruimels had weggewerkt. Hij luisterde naar de motor, koos zijn versnellingen en hield ruimte. Op de lange stukken voelde hij vooral het gewicht. Bij afremmen veranderde de druk achter hem; de vloeistof herinnerde hem eraan dat zijn lading niet uit vastgezette pallets bestond.
Bij een wegrestaurant in Noord-Frankrijk zette hij de DAF naast een witte DAF 95 met een wijnrode band over de cabine. Een man met een grijze snor stond zijn voorruit schoon te maken.
‘Nieuwe baas?’ vroeg de man.
‘Nieuwe chauffeur.’
‘Daar zijn er al genoeg van.’ Hij legde zijn spons weg. ‘Bert de Bruin.’
Binnen nam Bert zonder te vragen twee kopjes van het buffet.
‘Waarheen?’
‘Rouen.’
‘Dan ben je bijna thuis.’
Voor Bert was Rouen bijna thuis. Hij reed met machines en stukgoed op Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika. Hij kwam uit Breda, had twee volwassen dochters en een oordeel over iedere douche tussen Hazeldonk en Marseille. Dat laatste bleek niet overal een gunstig oordeel.
Marcel vertelde over de kleine Mercedes. Bert knikte alsof lokaal distributiewerk de meest logische voorbereiding was.
‘Als jij een achteruitgang in Rotterdam kunt vinden waar drie bestelbusjes voor staan, kun je ook een fabriekspoort vinden. Alleen de koffie kost verderop ander geld.’
Toen Marcel voor het vertrek de linker kast controleerde, hielp Bert even aan de sluiting trekken.
‘Goed dat je kijkt,’ zei hij. ‘Dat doen ze op kantoor niet voor je.’
Tegen de avond bereikte Marcel de streek van Rouen. Het afleveradres bracht hem verder naar Oissel, langs werkplaatsen, spoorlijnen en donkere stukken Seine. Hij zette de combinatie op de aangewezen wachtplaats. De poort voor de volgende ochtend stond vijfhonderd meter verderop.
Hij belde Els vanuit een telefooncel. Ze klonk tevreden.
‘Morgenochtend melden. Dan lossen en bellen.’
Marcel streek met zijn duim over een getal op de vrachtbrief. Er was iets doorgestreept en opnieuw ingevuld.
‘Els, er staan twee verschillende ordernummers in deze map.’
‘Lees ze voor.’
Ze zweeg terwijl hij dat deed.
‘Ik zoek het uit. Laat niemand iets wijzigen zonder dat wij het weten.’
Hij sliep licht. Iedere keer dat ergens een trekker aansloeg, dacht hij dat zijn eigen motor liep.
Hoofdstuk 3 Niet voor deze tank
De man bij de ontvangst heette Luc Moreau. Hij droeg een veiligheidsbril aan een koord en keek eerst naar de papieren, daarna naar Marcel en toen weer naar de papieren.
‘Non.’
Marcel kende weinig Frans, maar dit woord leverde geen vertaalproblemen op.
‘Demain?’ probeerde hij.
Moreau schudde zijn hoofd. Hij schoof de vrachtbrief terug, haalde een dun dossier uit een kast en wees naar een regel. Het ontvangstsysteem voor deze partij was niet beschikbaar. De levering was al uit de planning gehaald. Er bestond een bericht over.
‘Ik heb twintig ton achter me,’ zei Marcel in het Engels.
‘Dat zie ik. Maar ik heb geen twintig ton ruimte die ik hiervoor mag gebruiken.’
Ze liepen naar een kantoortje naast de ontvangst. Moreau belde een collega die beter Engels sprak. Marcel kreeg koffie in een bekertje dat zo klein was dat hij dacht dat er iets ontbrak.
Op de faxkop van het afzegbericht stond een datum van vóór zijn vertrek.
Hij las hem twee keer.
Els nam na één keer overgaan op.
‘Blijf waar je bent,’ zei ze.
Het duurde drie uur. Een Renault Magnum kwam aan, loste elders op het terrein en vertrok. Marcel at zijn tweede boterham. Een schoonmaker vroeg of hij zijn voeten wilde optillen. Moreau liep af en toe binnen, zonder dat hij een stap dichter bij lossen kwam.
Toen belde Karel Vos.
‘Lastig, Marcel, maar we hebben een oplossing. De partij kan naar Spanje. Tarragona, raffinaderij van Repsol. Daar is een afnemer geregeld.’
‘Dat ligt niet naast Rouen.’
‘Nee, maar rijden kun je toch?’
Marcel klemde de hoorn steviger vast. ‘Ik wil weten wat Els zegt.’
‘Die krijgt de bevestiging. Eerst moet jij even de ontvangst hier laten afstempelen. Anders kan ik de oorspronkelijke order niet sluiten.’
‘Maar ik heb niets gelost.’
‘Alleen administratief.’
Moreau zag Marcels gezicht en hield op met bladeren.
‘Ik laat geen lossing aftekenen die niet gebeurd is,’ zei Marcel.
Er viel een stilte. Toen klonk Vos opeens vriendelijker.
‘Je maakt het jezelf erg ingewikkeld voor je eerste buitenlandse rit.’
Na het gesprek kwam Els aan de lijn. Ze liet hem precies herhalen wat er gezegd was.
‘Je hebt goed gehandeld. Henk spreekt hem. Jij wacht op nieuwe papieren.’
Marcel liep naar buiten. Het terrein rook naar nat beton. Hij wilde boos zijn op Vos, maar schaamde zich vooral. Iedere andere chauffeur leek precies te weten waar hij moest staan. Alleen hij liep met een map van kantoor naar cabine en terug.
Moreau kwam naast hem staan.
‘First journey?’
Marcel knikte.
‘Then you learn early.’
Pas in de middag kwam de schriftelijke ombestemming. Nieuwe ontvanger, nieuwe opdracht, bevestiging van de productkwaliteit en de ontvangst in Tarragona. De partij natronloog kon daar als proceschemicalie worden gebruikt. Het ging om verkoopbaar product, niet om afval dat iemand onderweg kwijt moest. Moreau controleerde met hem welke documenten meegingen en noteerde duidelijk dat in Oissel niets gelost was.
Marcel belde Henk.
‘Je mag nee zeggen,’ zei zijn baas. ‘Dan regelen we aflossing.’
‘En als ik doorga?’
‘Dan regelen we dat behoorlijk.’
Marcel keek naar Gerts DAF. Een rode cabine onder een grijze lucht. Hij dacht aan zijn vijf onderbroeken.
‘Ik ga door. Maar niet met halve afspraken.’
Henk zei niet meteen iets. ‘Dat lijkt me een uitstekende afspraak.’
Die avond vertelde Marcel aan zijn zus dat hij vrijdag niet kwam eten.
‘Hoe ver ligt Rouen tegenwoordig?’ vroeg Anja.
Hij moest voor het eerst die dag lachen.
Hoofdstuk 4 De deurklink
Ten zuiden van Orléans begon het te regenen alsof de lucht ergens een kraan had gevonden. De weg verdween onder een glanzend vlies. Achter iedere vrachtwagen hing een witte muur.
Marcel liet zijn snelheid zakken. Een Iveco EuroStar ging hem voorbij en verdween in zijn eigen waternevel. Hij voelde de vermoeidheid achter zijn ogen. Niet de slaperigheid die je met een liedje wegzong, maar het zwaardere soort waardoor ieder verkeersbord een opdracht werd.
Op de parkeerplaats waar hij wilde stoppen, stond geen plaats meer vrij. Hij reed door naar de volgende. Daar wachtte hij tot een koelwagen wegreed en zette de DAF tussen een Volvo en een camper.
In het restaurant bestelde hij iets dat volgens het bord rundvlees was. Hij kreeg een bord waar vooral saus op lag.
‘Dat beest heeft hard gezwommen,’ zei iemand achter hem.
Een vrouw met kort kastanjebruin haar schoof haar dienblad naast het zijne.
‘Karin Voskamp. Die blauwe Volvo is van mij. Je stond nogal ernstig naar je avondeten te kijken.’
Ze reed een Volvo FH12 met een schuifzeiloplegger en moest naar Italië. Toen hij over zijn ombestemming vertelde, trok ze haar wenkbrauwen op.
‘Rouen naar Tarragona. Dat is een flinke manier om een verkeerde postcode op te lossen.’
Hij vertelde ook over de gevraagde stempel.
Karin legde haar vork neer. ‘Schrijf dat op. Datum, tijd, wie wat zei. Niet voor de gezelligheid. Voor als iemand zich volgende week niets meer herinnert.’
Hij deed het die avond in een zwart schrift dat hij bij de kassa had gekocht. Op de eerste bladzijde schreef hij de datum, de ordernummers en de woorden alleen administratief. Daarna zijn uitgaven. De balpen drukte zo hard door dat de volgende pagina al vol deuken stond.
Om twee uur werd hij wakker van een kort geluid.
Hij bleef stil liggen. Het kwam niet van de regen. Die tikte gelijkmatig op het dak.
Weer het geluid. Metaal tegen metaal.
De deurklink bewoog.
Marcel voelde zijn hart in zijn keel. Hij wist niet of hij meteen moest schreeuwen of zich juist stil moest houden. Door een kier in het gordijn zag hij een donkere schouder naast zijn deur.
Toen ging op de Volvo naast hem een claxon af. Lang, onvriendelijk en dichtbij.
De schouder verdween. Voeten sloegen over het asfalt. Marcel schakelde zijn werklicht in en greep naar de claxon. Tussen twee opleggers bewogen twee schimmen. Een personenauto reed zonder licht de rij uit en remde pas bij de uitgang.
Karin stond niet buiten. Ze zat achter haar stuur met de deuren dicht. Ze wees naar het restaurant.
De nachtwaker kwam met een telefoon in zijn hand. Even later verscheen de politie. Ze noteerden de beschadiging aan Marcels slot, spraken met de camperbezitter en vroegen naar de verdwenen auto. Niemand had een volledig kenteken gezien.
‘Had ik maar…’ begon Marcel.
‘Wat?’ vroeg Karin. ‘Met je honderd kilo achter twee onbekenden aan gerend? En dan?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Je bent chauffeur,’ zei ze. ‘Je vrachtwagen staat er nog. Jij ook.’
De slaap kwam nauwelijks terug. De volgende ochtend bleef hij langer staan dan gepland. Els verschoof het verwachte aankomsttijdstip toen hij belde.
‘Eerst rust. Repsol loopt niet weg.’
Karin vertrok na het ontbijt. Ze schreef een nummer in zijn schrift en een tweede nummer eronder.
‘Bovenste is thuis. Onderste is mijn zaak. Als je me nodig hebt, vinden ze me wel.’
Bij Lyon kocht Marcel een nieuwe deurgrendel. Een dag later zag hij tussen de donkere heuvels voor het eerst een strook heldere lucht. Hij reed richting Perpignan en merkte dat hij alweer zachtjes meezong met de radio.
Aan de andere kant van de grens lagen de prijzen in peseta’s. Zijn zorgen betaalde hij nog steeds in guldens.
Hoofdstuk 5 Verder naar het zuiden
De raffinaderij van Repsol lag bij Tarragona als een stad die alleen uit werk bestond. Pijpen liepen boven wegen, trappen eindigden op bordessen en in de verte tekende een fakkel zich af tegen de lucht. Marcel meldde zich met het gevoel dat iedere poort die hij passeerde een vergissing kon blijken.
Maar deze keer klopte zijn nummer.
Jordi Serra, een medewerker van de ontvangst, controleerde de papieren en liet hem wachten op de productvrijgave. Hij sprak rustig Engels en herhaalde een vraag als Marcel hem niet begreep. Dat maakte de wachttijd meteen lichter.
Er werd een monster genomen volgens de procedure van het terrein. Daarna kreeg Marcel zijn losplaats. De werkelijke lossing was minder spectaculair dan hij onderweg had gevreesd: controles, beschermingsmiddelen, de juiste aansluitingen en tijd. Veel tijd.
Toen het laatste compartiment leeg was en de papieren getekend werden, wilde hij bijna een handtekening van Jordi voor zichzelf vragen.
‘First time in Tarragona?’ vroeg de Spanjaard.
‘First time in most places.’
Jordi glimlachte. ‘Then remember a place outside this fence, too.’
Na de reiniging mocht Marcel niet meteen opnieuw laden. De volgende opdrachtgever wilde de tank schoon en droog zien, met de documentatie erbij. Hij bleef bij het reinigingsbedrijf wachten, draaide een was in een nabijgelegen wasserette en kocht brood, sinaasappels en ondergoed.
De dame achter de kassa keek naar de stapel.
‘Vacaciones?’
‘In zekere zin,’ zei Marcel.
Els belde hem terug bij de receptie van het reinigingsbedrijf. Haar stem had de behoedzaamheid van iemand die een zware kast door een smalle deur wilde krijgen.
‘Er is werk voor de tank. Laden in het havengebied van Tarragona. White spirit, voor de verfindustrie. Naar Algiers.’
Marcel keek naar zijn waszak.
‘Je zei Algiers.’
‘Ja.’
‘In Afrika.’
‘Dezelfde.’
Hij ging zitten op een stoel zonder rugleuning.
Els legde uit dat het bedrijf al langer voor die klant reed. Het losadres was ENAP in Oued Smar, bij Algiers. De lading zou via een terminal in Tarragona worden afgehaald. De zeereis werd vanuit Marseille geboekt; er was geen rechtstreekse sprong vanaf de Spaanse fabriekspoort. Een agent regelde de ontvangst en de douanezaken. Eerst moesten toelating, verzekering, documenten en de boeking voor de gevaarlijke lading rond zijn. Zijn paspoort alleen was niet voldoende.
‘En als dat niet lukt?’ vroeg hij.
‘Dan ga je niet.’
‘Karel Vos zeker weer?’
‘Deze opdracht komt rechtstreeks van onze klant. Dat heb ik Henk laten vastleggen.’
Marcel zweeg. Hij hoorde in de werkplaats water kletteren. Iemand liet een metalen deksel vallen.
‘Bert de Bruin vaart ook die kant op,’ vervolgde Els. ‘Hij heeft mij gebeld nadat jij hem mijn nummer had gegeven. Hij kan je door het aanmelden helpen.’
Bert. De witte DAF. De man die Rouen bijna thuis vond.
‘Ik wil eerst met Henk spreken,’ zei Marcel.
Zijn baas kreeg hij een uur later. Ze spraken over extra geld voor onderweg, de duur van de reis, bereikbaarheid en het recht om te stoppen als iets niet klopte. Henk luisterde deze keer zonder hem te onderbreken.
‘Ik had je beter moeten voorbereiden op de eerste rit,’ zei hij ten slotte.
Marcel keek naar de zwarte strepen van zijn handen op zijn broek.
‘Dan doen we de tweede beter.’
De ochtend erna liep hij kort naar de zee. Er lag een leeg strand, een hond rende achter een aangespoeld stuk hout aan en ergens boven hem rinkelden kopjes op een terras.
Jordi had gelijk gehad. Buiten de hekken bestond Tarragona ook.
Hoofdstuk 6 Een plaats op de boot
De white spirit was een heldere vloeistof waarvan Marcel de geur niet nodig had om te weten wat hij vervoerde. Hij werkte met de laadploeg de controles af, keek opnieuw naar de compartimenten op het plan en borg de documenten op in een nieuwe map. De oude had een koffievlek die precies over Rouen liep.
Hij reed terug naar Frankrijk, nu noordwaarts langs een zee die af en toe tussen de bebouwing verscheen. Het voelde vreemd: verder van huis door de neus naar het noorden te zetten.
In Marseille vond hij Bert op een afgesloten wachtterrein. De DAF stond naast een Renault en een Spaanse Pegaso. Bert had twee klapstoelen tussen zijn cabine en een hek gezet.
‘Ik had toch gezegd dat je bijna thuis was?’
‘Dat was in Rouen.’
‘Ik zit er weleens naast.’
Bert vervoerde onderdelen voor een werkplaats. Marcel zag houten kisten toen de laadruimte bij een controle werd geopend. De mannen spraken over stempels, boekingsnummers en welk kantoor die middag nog open was. Marcel luisterde. Hij had eindelijk geleerd dat je niet hoefde te doen alsof je ieder woord kende.
De plaatselijke agent ontdekte een verschil tussen de productomschrijving op twee documenten. Niet groot genoeg om Marcel zelf te laten schrikken, wel groot genoeg om geen risico mee te nemen. De boeking bleef geblokkeerd tot een verbeterde verklaring binnen was.
‘Morgen?’ vroeg Marcel.
De agent draaide zijn handen om.
‘Misschien.’
Bert haalde de tweede klapstoel verder uit.
Ze wachtten een dag. Toen nog een. De klok leek alleen bij de maaltijd te bewegen. Marcel belde zijn zus, die inmiddels zijn post uit de brievenbus haalde.
‘Er ligt een rekening van het ziekenfonds en een folder voor een nieuwe bank.’
‘Koop die bank maar niet.’
‘Ik koop niets. Ik eet al een week gehakt.’
Hij lachte, maar toen hij ophing miste hij zijn eigen keuken. De lege stoel. Het geluid van de buurman die ’s avonds zijn brommer binnenzette. Hij had gedacht dat avontuur betekende dat je voortdurend iets beleefde. Een groot deel bestond uit wachten terwijl het leven thuis gewoon doorging.
Op de derde ochtend liep een jonge Nederlandse chauffeur het terrein op. Smal gezicht, donker haar dat recht overeind stond, zonnebril aan zijn overhemd.
‘Arjan van Leeuwen. Mercedes daar achteraan. Als jullie Nederlanders zijn: heeft iemand fatsoenlijke koffie?’
‘Nee,’ zei Bert. ‘Daarom staan we hier.’
Arjan kwam uit Dordrecht en reed met een grijze Mercedes SK. Hij moest met een andere afvaart naar Tunesië, vertelde hij, en daarna waarschijnlijk naar het oosten. Hij praatte snel, alsof hij ieder stil moment als vertraging beschouwde.
Marcel schonk koffie.
‘Jij doet dit voor het eerst?’ vroeg Arjan.
‘Is dat zo duidelijk?’
‘Je map is nog netjes.’
Ze wisselden nummers uit. Bert schreef boven Arjans naam: koffie op afbetaling.
Die middag werd Marcels boeking vrijgegeven. De verklaring was gecorrigeerd; de vervoerder had de lading aanvaard. In de avond kwamen ze in beweging, eerst twintig meter, toen weer stilstaan, daarna naar de kade.
Vlak voor hij de DAF startte, kwam de agent naar hem toe met een fax.
Van Karel Vos.
Wilt u bij aankomst ontvangst origineel routeblad laten ondertekenen.
Onder de zin stond een bedrag dat Marcel niet kende.
‘Dat papier gaat niet mee met mijn lossing,’ zei hij.
Hij vouwde het op en stopte het in zijn zwarte schrift.
Toen reed hij achter Bert de scheepshelling op.
Hoofdstuk 7 Water onder de wielen
Zodra hij de motor uitzette, werd de DAF een meubelstuk in een ruimte die niet van hem was. Een bemanningslid wees hem waar hij heen moest. Marcel nam zijn tas en documenten mee, keek nog één keer naar de trekker en volgde Bert naar boven.
‘Je gaat straks zeker controleren of hij er nog staat,’ zei Bert.
‘Jij niet?’
‘De eerste keer wel. Toen vertelde een matroos dat het autodek tijdens de overtocht dicht was.’
Hun hut had twee smalle bedden en een tafel waarop twee bekers precies naast elkaar pasten. Marcel koos het onderste bed. Hij wilde niet uitleggen dat honderd kilo in een bovenbed hem vooral zorgen gaf over degene die eronder lag.
Aan dek zagen ze Marseille kleiner worden. Kranen schoven langs elkaar, een sleepboot trok een witte streep door het water. Ergens achter die stad lagen de wegen die hij kende. Voor hem lag niets waar een routebord boven hing.
Bert leunde op de reling.
‘Mooi, hè?’
‘Vreemd.’
‘Dat ook.’
Tegen de avond begon de zee aan de scheepswand te trekken. Eerst zacht, alsof iemand wilde weten of de deur open was. Daarna werd het een beweging die door tafelpoten, bedden en Marcels maag tegelijk liep.
Het eten rook naar gebakken vis. Na drie happen legde hij zijn vork neer.
Bert keek hem aan. ‘Je bent dezelfde kleur als je tank.’
Marcel bereikte nog net de gang.
De uren daarna waren weinig avontuurlijk. Hij lag met zijn ogen dicht, hoorde in het bovenbed een krant ritselen en probeerde zich voor te stellen dat hij op een parkeerplaats stond. Iedere keer dat hij daarin slaagde, kantelde de parkeerplaats.
‘Wil je weten wat het ergste is?’ vroeg Bert.
‘Dat jij daar een verhaal over hebt.’
‘Dat je straks weer trek krijgt.’
Later bracht hij water. Hij zette het zonder grapje neer.
In de ochtend was de zee rustiger. Marcel zat met een droge beschuit aan tafel. Bert haalde een foto uit zijn portefeuille: twee jonge vrouwen naast een tuinhek.
‘Mijn dochters. De jongste is vorige maand op zichzelf gegaan.’
‘Was je erbij?’
Bert schoof de foto terug.
‘Bij het schilderen. Niet bij het verhuizen.’
Het bleef even stil.
‘Je denkt altijd dat je het volgende keer beter plant,’ zei Bert. ‘Dat lukt soms. Je moet wel blijven proberen.’
Marcel dacht aan Anja’s gehakt en de post op zijn keukentafel. Hij had geen vrouw of kinderen die op hem wachtten. Tot deze reis had hij dat vooral als gemak beschouwd. Nu merkte hij dat afwezigheid ook werk was: bellen, laten weten waar je bleef, onthouden dat anderen geen kaart naast de telefoon hadden liggen.
Toen de kust verscheen, stond hij alweer naast Bert aan de reling. Witte gebouwen tegen donkerder heuvels. De haven groeide langzaam uit de verte.
Beneden, bij de trucks, bleef iedereen wachten tot de bemanning het sein gaf. Marcel zag de rode cabine boven een bestelwagen uitsteken. Voor het eerst sinds vertrek voelde de geleende DAF een beetje vertrouwd.
Aan wal duurde het lang voor de rij vooruitging. Uniformen, kantoortjes, stempels. Bert wees naar een vrouw die met een map onder haar arm langs de wachtende voertuigen liep.
‘Daar is Nadia. Als iemand je vraagt waarom je nog stilstaat, zeg je dat je op haar wacht.’
Nadia Benali sprak Frans en helder Engels. Ze controleerde eerst Marcels naam, toen zijn documenten. Daarna keek ze hem aan.
‘Voor Oued Smar. Blijf op het terrein tot alles klaar is. Morgen rijden we overdag.’
Ze zei het vriendelijk, maar er viel niets aan te onderhandelen.
Die nacht hoorde Marcel door het geopende dakluik geluiden die hij niet thuis kon brengen. Hij zette ze niet meteen om in gevaar. Hij luisterde, trok het gordijn dicht en schreef in zijn schrift: Aangekomen. Truck heel. Ik ook.
Onder die laatste zin zette hij, na enig nadenken: Maag nog in Frankrijk.
Hoofdstuk 8 Een handtekening te veel
Nadia was de volgende ochtend al bezig toen Marcel zijn tweede kop koffie inschonk. Ze had een telefoontoestel tussen schouder en oor geklemd en wees hem zonder haar gesprek te onderbreken een stoel aan.
Hij wachtte. Op de muur hing een kalender met een maand die achterliep. Een ventilator draaide traag boven een kast vol ordners. Buiten riep iemand een naam, kreeg geen antwoord en riep dezelfde naam harder.
‘Uw douanestukken zijn in behandeling,’ zei Nadia toen ze neerlegde. ‘En u hebt een papier dat niet bij deze zending hoort.’
Marcel keek op.
Ze hield een fax omhoog. Het vel van Vos.
‘Ik heb dat niet bij de vrachtbrief gedaan.’
‘Het is rechtstreeks hierheen gestuurd. Men vraagt onze bevestiging van eerdere wachttijden en extra kosten.’
Ze legde het voor hem neer. Er stond zijn naam onder, gevolgd door een ruimte voor een handtekening. De omschrijving verwees naar een ontvangst in Rouen.
Marcel voelde zijn nek warm worden.
‘Daar heb ik niet gelost.’
‘Dan tekenen we dat ook niet.’
Hij pakte zijn zwarte schrift. Voor het eerst was hij blij met zijn eigen overdreven nauwkeurigheid. De tijden stonden er. Het afzegbericht, Moreaus aantekening, de ombestemming. Nadia maakte kopieën en liet hem het origineel houden.
‘Wij bevestigen wat hier gebeurt,’ zei ze. ‘Niet wat iemand elders nodig heeft.’
Het was bijna dezelfde zin als die van Els, uitgesproken in een andere taal.
Pas later kon hij bellen. De lijn kraakte. Els liet hem tweemaal hetzelfde bedrag voorlezen en zei toen dat hij geen enkel stuk van Vos meer moest afgeven zonder overleg.
‘Henk houdt de afrekening van die eerste rit tegen. Rij jij je eigen opdracht af.’
Marcel knikte tegen een telefoon die dat niet kon zien.
De rit naar Oued Smar begon met een plaatselijke begeleider voorop. Algiers was geen stad om op goed geluk doorheen te zwerven. Aan controles werd rustig gewacht; de papieren bleven bij de hand. De spanning in het land was niet iets wat Nadia voor bezoekers wegpraatte. Ze hield de planning bij daglicht en wist wie ze kon bellen.
Toch was de weg ook gewoon een weg. Een man duwde een kar met brood langs een rij stilstaande auto's. Twee jongens kibbelden bij een fietsenrek. Bij een werkplaats stond een oude Renault waarvan de chauffeur met een doek zijn stuur schoonwreef.
Marcel merkte dat hij tegelijk naar alles wilde kijken en niets wilde missen van het verkeer. Hij koos voor het verkeer.
Bij ENAP wachtte een medewerker hem op. Binnen het terrein veranderde de onbekende stad in herkenbaar werk: melden, controleren, wachten op vrijgave, naar de juiste losplaats. De white spirit was bestemd als oplosmiddel voor de verfproductie. De ontvangende ploeg kende de partij en het product. Dat eenvoudige feit maakte hem rustiger dan enig vriendelijk woord had gekund.
Tijdens het wachten raakte een van de medewerkers geïnteresseerd in de DAF. Hij wees naar de cabine en hield zijn duim op.
‘Holland?’
Marcel knikte. ‘Rotterdam.’
De man kende de naam van de haven. Hij tekende met zijn handen een groot schip in de lucht en wees toen naar de tank. Marcel lachte. Even later stonden ze samen naar een foto van diens kleine dochter te kijken.
Na de lossing waren de handtekeningen kort en duidelijk. Alleen de werkelijk afgeleverde partij, op de werkelijke datum.
Bij terugkomst op het wachtterrein stond Bert voor zijn DAF. Hij had een zak mandarijnen en een probleem met zijn dynamo.
‘Dus jij bent leeg en ik ben bijna stroomloos,’ zei hij. ‘Zo houden we elkaar in evenwicht.’
Marcel gaf hem een hand met opruimen terwijl een monteur het werk afmaakte. Toen ze klaar waren, dronken ze thee uit kleine glazen. De monteur wilde weten of het in Nederland werkelijk zo vaak regende.
Bert keek naar Marcel.
‘Vertel jij het maar. Jij komt uit Rotterdam. Daar oefenen ze ermee.’
Die avond at Marcel een mandarijn op zijn cabinebed. Het fruit rook sterker dan de zeep waarmee hij zijn handen had gewassen. Hij schreef Nadia's naam op de volgende bladzijde van zijn schrift, met daaronder: Tekent alleen wat waar is.
Hoofdstuk 9 Leeg is niet klaar
De terugvaart verschoof. Een plaats op een schip was een afspraak die pas werkelijk bestond wanneer de wielen op het dek stonden.
Marcel had het woord leeg te vroeg gebruikt. In de tank zaten nog resten van het vorige product. Voor de terugreis bleef dat van belang bij de papieren en de aanmelding. Hij kon niet eenvoudig de borden veranderen en doen alsof hij een gewone lege oplegger meenam. Els had een goedgekeurde reiniging na terugkeer in Frankrijk geregeld; tot die tijd volgde hij de voorwaarden voor de ongereinigde tank.
Bert luisterde terwijl hij het uitlegde.
‘Ik heb na het lossen alleen nog zaagsel,’ zei hij. ‘Dat klaagt minder.’
Ze brachten een rustdag op het terrein door. Marcel poetste de binnenkant van de voorruit, sorteerde bonnetjes en ontdekte dat hij drie verschillende soorten muntgeld in dezelfde broekzak had gestopt. Hij legde ze in stapeltjes op een handdoek.
‘Je lijkt wel een wisselkantoor,’ zei Bert.
‘Met verlies.’
Later belde hij Anja. Ze vertelde over een lekkende kraan, een verjaardag die hij vergeten was en de buurman die zijn brommer nu had verkocht. Dat laatste kwam harder aan dan het hoorde. Het kleine geluid waar hij naar terugverlangde, bestond al niet meer.
‘Gaat het goed met je?’ vroeg ze.
Hij keek naar de telefoon. Achter hem wachtte iemand op zijn beurt.
‘Ja. Alleen lang.’
‘Je hoeft het niet steeds leuk te vinden, hoor.’
Hij had haar liever niet laten merken hoeveel opluchting die zin gaf.
Toen de terugvaart eindelijk bevestigd werd, kwam Nadia persoonlijk de laatste stukken brengen. Ze had Els nog gesproken.
‘Uw kantoor heeft om alle faxen gevraagd. Die krijgen ze.’
‘Dank je.’
‘Bedank me door volgende keer meteen de goede map mee te nemen.’
Hij beloofde het.
Op de terugreis bleef zijn maag waar hij hem hebben wilde. Bert vond dat een gemiste kans voor vermaak. Ze zaten bij een raam en bekeken op een wegenkaart waar ieder na Marseille heen moest.
Bert wees naar Lyon. ‘Daarna linksaf. Naar huis.’
Marcel schoof zijn vinger verder naar rechts. Hij had Els voor vertrek gesproken. Na reiniging moest hij leeg naar Roemenië. De vaste klant had een tank nodig bij Oltchim in Râmnicu Vâlcea, voor een partij isobutanol naar Ludwigshafen.
‘Dat is een heel eind leeg,’ zei Bert.
‘Zegt Henk ook. Maar de tank moet daar op een afgesproken datum staan. Het is als hele omloop aangenomen.’
‘Dan zal Henk wel gerekend hebben.’
‘Dat hoop ik.’
Bert vouwde zijn kaart niet meteen dicht.
‘Je kunt nog zeggen dat het genoeg is.’
Marcel keek naar het water. Hij wilde naar huis. Dat was waar. Hij wilde ook weten wat er achter die andere namen lag. Dat was net zo waar.
‘Ik heb gevraagd of de papieren voor mij en de wagen geregeld worden. En of ik de tijd krijg om er normaal te komen.’
‘En?’
‘Ja.’
‘Dan is het jouw rit.’
In Marseille namen ze afscheid bij de uitgang van het terrein. Bert gaf hem een hand, trok hem toen toch even tegen zich aan en sloeg hem op zijn schouder.
‘Niet ineens een held worden.’
‘Dat was ik niet van plan.’
‘Mooi. Helden vergeten altijd hun douchebon.’
Marcel zag de witte DAF verdwijnen. Daarna reed hij naar het reinigingsbedrijf. Terwijl de tank werd behandeld en gecontroleerd voor de volgende lading, liet hij de cabine van de DAF nakijken. De monteur verving een versleten ruitenwisserblad en stelde de beschadigde deur nog eens af.
Kleine dingen. Juist daarom wilde hij ze in orde hebben.
De volgende ochtend lag zijn atlas open bij Duitsland en Oostenrijk. Rouen zat inmiddels drie kaarten terug.
Hoofdstuk 10 Naar de andere kant van de kaart
De eerste dag na Marseille rook de cabine naar schone was. De tweede naar koffie. De derde naar een boterham met kaas die Marcel achter zijn atlas terugvond.
Hij reed via Lyon naar het noordoosten, kwam Duitsland binnen en volgde de weg verder naar Oostenrijk. De reis bestond uit stukken die op de kaart klein waren en achter het stuur een dag konden vullen. Tankstations, rust, een telefoontje aan Els. Soms stond hij naast een MAN F90 waarvan de chauffeur de hele avond televisie keek. Soms liep hij een halfuur om alleen maar iets anders te voelen dan zijn stoel.
Bij een grensovergang ontdekte hij dat hij in de verkeerde rij stond. Een beambte wees naar een kantoor aan de andere kant van het terrein. Marcel liep erheen, kreeg daar te horen dat hij eerst terug moest voor een stempel en zag bij terugkomst de man van de eerste balie zijn jas aantrekken.
Hij slikte zijn opmerking in. Een halfuur later zat dezelfde man weer achter het glas. Hij had een boterham gegeten.
Marcel begreep hem beter nadat hij zelf gegeten had.
Bij een wegrestaurant in Oostenrijk stond een blauwe Volvo FH12. Karin hing half uit de cabine om een mat uit te kloppen.
‘Je deur zit er nog in,’ zei ze.
Els had via Karins kantoor doorgegeven waar Marcel wilde rusten. Het weerzien voelde toch onverwacht. Hij had de laatste dagen zoveel onbekende gezichten gezien dat één bekend gezicht het hele parkeerterrein veranderde.
Karin moest met verpakkingsmateriaal naar Hongarije. Ze aten samen en legden hun kaarten op tafel. Marcel vertelde over Nadia en de nieuwe fax.
‘Dus hij probeert nog steeds iemand te laten tekenen,’ zei Karin.
‘Henk zoekt uit waarvoor.’
‘En jij bewaart je schrift.’
Hij tikte op zijn binnenzak.
Ze keek tevreden en begon over iets anders. Een kapotte wasmachine thuis, een klant die alleen tussen twaalf en één geen chauffeurs ontving en precies om kwart voor twaalf alle vrachtwagens liet binnenkomen. Marcel merkte hoe prettig het was dat zij niet alleen belangstelling had voor het vreemde deel van zijn reis.
Ze reden de volgende ochtend een stuk dezelfde kant op. Via de bak waarschuwde Karin hem voor een stilstaande rij achter een bocht. Later nam zij een andere afslag. Haar stem kwam nog eenmaal uit het kastje.
‘Tot ergens, Marcel.’
‘Tot ergens.’
Hongarije werd afgewisseld met parkeerplaatsen, formulieren en een lange nacht waarin een koelmachine naast hem voortdurend aansloeg. Bij de Roemeense grens lagen zijn documenten op volgorde. Toch moest hij wachten. Hij liet zich aanwijzen waar hij kon staan en keek hoe andere chauffeurs dezelfde tocht tussen loketten maakten.
Een Roemeense chauffeur bood hem koffie uit een kan aan. Zijn wagen was een blauwe ROMAN met een open laadbak. Het portier had een lichtere plek waar ooit een bedrijfsnaam had gezeten.
‘Radu,’ zei hij. ‘Radu Ionescu. Sibiu.’
Marcel noemde zijn bestemming en moest het laatste woord nog eens proberen.
‘Vâlcea,’ herhaalde Radu geduldig.
Hij sprak wat Duits. Marcel ook, als niemand te snel antwoordde. Ze vonden een taal tussen die twee halve talen in.
Radu bekeek de route op Marcels kaart. Hij wees op het traject door het dal van de Olt en daarna naar de lucht. Het weer was aan het omslaan.
‘Langsam,’ zei hij.
Marcel knikte. Dat woord kende hij inmiddels in meer talen dan hij ooit verwacht had.
Ze wisselden telefoonnummers uit via hun kantoren. Radu schreef het zijne met grote cijfers op, zodat het niet verkeerd gelezen kon worden.
Toen Marcel eindelijk verder mocht, keek hij in zijn spiegel. Achter hem stond de blauwe ROMAN nog stil in de rij. Radu stak zijn hand op.
De weg werd smaller. Huizen stonden dichter bij het asfalt. Een paard trok een wagen langs de berm en verderop reed een Mercedes met een Duitse oplegger. Marcel haalde rustig adem en liet het landschap naar hem toe komen.
Hij hoefde hier vandaag niet aan te wennen. Hij hoefde alleen goed te rijden.
Hoofdstuk 11 De tweede opdracht
Bij Oltchim in Râmnicu Vâlcea hing laag bewolkte lucht boven leidingen en schoorstenen. Marcel had een afgesproken laadvenster, een schone tank en de documenten die Els driemaal met hem had doorgenomen.
Hij kwam er vroeg genoeg aan om toch te moeten wachten.
In de chauffeursruimte stond een tafel met één korte poot. Onder die poot lag een opgevouwen vrachtbrief. Marcel zag er een zekere rechtvaardigheid in.
De lading was isobutanol, een oxo-alcohol. Een handelspartij voor BASF in Ludwigshafen, had Els uitgelegd; de inkoper en de ontvangende afdeling hadden de partij bevestigd. Het product was hier gemaakt. Wat de klant er precies mee ging doen, stond niet op Marcels vrachtbrief en hoefde hij niet te verzinnen. Hij moest de juiste partij in de juiste tank op de juiste plaats afleveren.
De medewerker bij de belading controleerde de reinigingsstukken zorgvuldig. Er werd gevraagd naar de vorige ladingen. Marcel wees ze aan. Natronloog, daarna white spirit, met de reinigingen ertussen. Een handtekening op een formulier was geen vervanging voor een geschikte tank. Hij wachtte tot de acceptatie afgerond was.
Tijdens het laden begon het te regenen. Geen felle bui, maar een gelijkmatige stroom die het licht uit de middag haalde.
Toen hij de papieren kwam ophalen, lag er een extra fax bij.
Nieuwe instructie. Tussenopslag Hongarije. Daarna verdere afroep.
Onderaan stond Karel Vos.
Marcel voelde geen paniek. Dat verbaasde hem later het meest. Hij voelde eerst ergernis, alsof iemand voor de derde keer tegen zijn stoel schopte.
‘Deze hoort niet bij mijn opdracht,’ zei hij tegen de medewerker.
De man haalde zijn schouders op. De fax was voor de chauffeur, dus had hij hem aan de chauffeur gegeven.
Marcel vroeg of hij mocht bellen. Hij gebruikte het nummer van Els uit zijn eigen schrift. Het duurde even voor de verbinding tot stand kwam.
‘Niets wijzigen,’ zei ze nadat hij het vel had voorgelezen. Haar stem klonk opeens heel dichtbij. ‘Ik bel de opdrachtgever. Jij blijft daar.’
Een uur later kreeg hij haar terug.
‘De partij gaat naar Ludwigshafen. Er is geen toestemming voor tussenopslag. Henk wil je ook spreken.’
Zijn baas klonk moe.
‘Vos heeft geprobeerd extra kosten aan ons en aan de handelaar door te berekenen. Met die Rouenstempel had hij zijn verhaal sluitend willen maken. Nu beweert hij dat hij de hele omloop heeft geregeld.’
‘Maar dat heeft hij niet.’
‘Nee. En deze nieuwe instructie maakt het erger. We hebben de klant erbij gehaald. Je levert alleen af op de bevestigde opdracht.’
Marcel keek naar de regen tegen het raam. ‘Hoe weet hij steeds waar ik ben?’
Henk zuchtte.
‘Ik heb hem aan het begin een kopie van de verwachte omloop gegeven. Voor de afrekening en omdat hij zou helpen met terugwerk. Hij gebruikt die gegevens nu alsof hij nog de planning doet. Dat had ik moeten afsluiten.’
Het antwoord was minder geheimzinnig dan Marcel had gevreesd. Daardoor werd het niet beter.
‘Zorg dan dat iedereen weet wie wél opdrachten mag geven,’ zei hij.
‘Dat gebeurt vandaag.’
Na het gesprek bracht Marcel de fax terug naar het loket. Hij vroeg om een kopie en liet bij zijn documenten aantekenen dat de oorspronkelijke bestemming bleef gelden. De medewerker knikte en schoof hem de juiste vrachtbrief toe.
Buiten lag de DAF glanzend onder de regen. Marcel liep de combinatie na en keek naar de nummers op de verzegelingen. Alles zoals afgesproken.
Hij was moe toen hij vertrok. Daarom reed hij die dag alleen naar de afgesproken wachtplaats buiten het terrein. De bergweg kreeg de volgende ochtend. Geen fax ter wereld maakte het eerder licht.
In zijn schrift schreef hij: Niet ieder vel papier is een opdracht.
Daarna belde hij Anja.
‘Waar zit je nu?’
‘Roemenië.’
Ze was even stil.
‘Ik koop pas weer gehakt als ik je zie.’
Hoofdstuk 12 De berm geeft mee
De rivier lag donker naast de weg. Regenwater liep in strepen van de helling en verzamelde zich in de kuilen. Marcel reed met beide handen losjes aan het stuur, niet verkrampt, wel aandachtig. De geladen tank maakte iedere ondoordachte beweging groter.
In een verbreding stond een grijze Mercedes SK.
Hij zag eerst de oplegger scheef ten opzichte van de cabine. Daarna de rode driehoek. Daarna Arjan, die met zijn jas boven zijn hoofd stond te zwaaien.
Marcel reed voorbij tot hij een stevige, ruime plek vond waar hij geheel buiten de rijbaan kon staan. Hij zette de combinatie veilig weg en liep terug, zichtbaar voor het verkeer. De regen sloeg koud tegen zijn gezicht.
‘Wat is er gebeurd?’
Arjan liet zijn jas zakken.
‘Moest ruimte maken. Tegenligger kwam wijd. Ik dacht dat hier asfalt onder zat.’
De buitenste wielen waren in een zachte berm gezakt. Onder de laag grind liep water. De Mercedes stond niet op het punt om te kantelen, maar iedere poging om zich eruit te trekken had hem schever gezet.
‘Ik heb nog een sleepkabel,’ zei Arjan.
Marcel keek naar de berm, naar het water en naar zijn eigen tank verderop.
‘Nee.’
‘Je hoeft maar een meter—’
‘Nee, Arjan.’
De woorden kwamen harder dan bedoeld. Hij herkende de schaamte op Arjans gezicht. Het was dezelfde blik waarmee hij in Oissel tussen kantoor en cabine had gelopen.
‘We regelen hulp,’ zei hij rustiger. ‘Niet nog een vrachtwagen erbij in de grond.’
Een personenauto stopte. De bestuurder sprak snel Roemeens. Marcel begreep alleen het woord politie toen de man het voor de derde keer zei. Hij knikte dankbaar.
Ze wachtten op de veilige kant van de weg. Arjan wreef over zijn handen.
‘Ik had niet moeten proberen door te trekken.’
Marcel antwoordde niet meteen.
‘Dat weet je nu.’
Verderop verscheen een blauwe cabine. Radu herkende de DAF, remde op ruime afstand en vond een veilige plaats om te stoppen. Hij kwam met een stevige regenjas aangelopen en keek zonder commentaar naar de wielen.
‘Kaputt?’ vroeg hij.
‘Nog niet,’ zei Marcel.
Radu luisterde naar de automobilist, sprak met de inmiddels aangekomen politieman en legde daarna in korte stukken uit wat er ging gebeuren. Verkeer regelen. Wegbeheer laten kijken. Zwaar bergingsmaterieel. Wachten.
Toen kwam uit de helling boven de Mercedes een dof geluid.
Geen donderslag. Eerder het scheuren van nat karton, maar diep en groot.
Radu draaide zijn hoofd. Hij pakte Arjan bij de mouw en trok hem weg van de wagen. De politieman begon te roepen. Een stuk grond gleed langs de sloot, nam stenen mee en schoof over de plek waar ze kort daarvoor hadden gestaan.
Marcel voelde de beweging door zijn voetzolen. Het duurde misschien twee seconden. Daarna was er alleen regen en het tikken van kleine stenen tegen staal.
Niemand zei iets.
Arjan stond met open mond naar de berm te kijken. Zijn ene broekspijp zat onder de modder.
De politieman bracht hen verder van de helling. Het wegvak werd afgesloten terwijl de situatie werd onderzocht. Marcel mocht pas later, onder aanwijzing, de geleende DAF naar een andere wachtplek verplaatsen. Hij keek niet naar de klok toen hij terugliep.
De berging duurde tot de middag. De Mercedes werd door de vakmensen losgemaakt nadat de ondergrond en de omgeving veilig genoeg waren bevonden. De wagen moest worden nagekeken. Arjan kon niet doen alsof hij alleen maar wat tijd verloren had.
In een kleine eetgelegenheid verderop kregen ze soep. Radu zette zijn doorweekte jas over een stoel. Arjan hield de lepel vast zonder te eten.
‘Als jij niet gestopt was…’
‘Dan had iemand anders hulp gehaald,’ zei Marcel.
Radu keek hem aan. ‘Maar jij was hier.’
Marcel boog zich over zijn soep.
Hij belde Els vanuit het dorp. De aflevering in Ludwigshafen moest later.
‘Ben je ongedeerd?’ vroeg ze.
‘Ja. De tank ook.’
‘Dan regel ik de rest.’
Die avond stond hij op een aangewezen terrein bij de werkplaats waar Arjans Mercedes werd bekeken. Hij had genoeg rust nodig en geen enkele behoefte om nog verder te rijden.
Arjan klopte op zijn deur met twee bekers koffie.
‘Ik sta bij Bert nog in het krijt,’ zei hij. ‘Nu bij jou ook.’
Marcel nam een beker aan.
‘Begin maar met leren wachten.’
Arjan lachte kort. Toen keek hij naar de natte grond onder zijn schoenen.
‘Ja,’ zei hij. ‘Dat lijkt me wel wat.’
Hoofdstuk 13 Wat er werkelijk op papier staat
De weg naar Ludwigshafen was geen enkele lange weg, maar een reeks ochtenden. Opstaan, kijken of het nog regende, water voor de koffie, om de combinatie lopen. Daarna kilometers maken tot een grens, een rustplaats of een afspraak het ritme onderbrak.
Arjan bleef achter voor de controle van zijn Mercedes. Radu ging naar Sibiu. Bij het afscheid drukte hij Marcel een klein papieren zakje in de hand. Brood voor onderweg, gehaald terwijl Marcel nog sliep.
‘Volgende keer koffie,’ zei hij.
Marcel wees naar zijn schrift. ‘Je staat erin.’
Via Hongarije en Oostenrijk keerde hij terug naar Duitsland. Bij iedere stop controleerde hij of er nog berichten voor hem waren op de afgesproken nummers. De wereld werd niet kleiner doordat hij haar beter leerde kennen. Wel kregen sommige plaatsen een stem.
In een Duits wegrestaurant belde Henk terug.
‘We hebben het rond,’ zei hij.
Marcel trok een stoel bij de telefoon.
De handelaar had twee facturen ontvangen voor werkzaamheden die Vos niet had uitgevoerd. Bij de ene zat een verslag waarin de lossing te Rouen als gebeurd werd opgevoerd. Bij de andere waren vertragingen aan Marcel toegeschreven. De bevestiging uit Algiers had het moeten staven.
‘Maar die heeft hij niet gekregen,’ zei Marcel.
‘Nee. Moreau heeft zijn eigen verslag rechtstreeks gestuurd. Nadia ook. Jouw tijden sluiten daarop aan. De nieuwe omleiding kwam niet van de eigenaar van het product en is ingetrokken. Vos krijgt van ons geen opdrachten meer. De betwiste kosten gaan naar de jurist en zijn opdrachtgever onderzoekt zijn handelen.’
‘En hijzelf?’
‘Zegt dat alles een misverstand is.’
Marcel keek naar zijn vingers om de hoorn. Hij had onderweg soms een arrestatie gezien in zijn hoofd. Een kantoor vol politie, een man die eindelijk niets meer te zeggen had. Nu bestond de afloop uit brieven, afgewezen rekeningen en mensen die niet meer met elkaar wilden werken.
‘Is dat het dan?’
‘Voor jouw rit wel. De rest duurt langer. Ik laat je weten wat eruit komt.’
Henk zweeg even.
‘Ik had eerder moeten ingrijpen.’
‘Ja,’ zei Marcel.
Het was voor het eerst dat hij dat zo tegen zijn baas zei.
Aan de andere kant bleef het stil. Daarna antwoordde Henk: ‘Dat weet ik.’
Marcel hing op en at zijn maaltijd terwijl die nog warm was. Dat voelde als een kleine overwinning die niemand anders kon zien.
In Ludwigshafen was het terrein groter dan hij zich had voorgesteld. Hij volgde de aanwijzingen, meldde zich waar hij moest zijn en wachtte op de vrijgave. BASF wist dat hij later kwam. Er stond een bijgewerkte afspraak in de planning.
De isobutanol werd gecontroleerd en aangenomen. Hij werkte met de losploeg, stelde een vraag toen een aanwijzing niet duidelijk was en liet zich niet haasten door een vrachtwagen die achter hem stond te wachten.
Na afloop hield hij de afgetekende vrachtbrief even vast voordat hij hem opborg.
Werkelijk gelost. Werkelijke plaats. Werkelijke datum.
Meer had het in Rouen ook niet hoeven zijn.
Els had nog één rit.
‘Na reinigen naar Bayer in Leverkusen. Natronloog voor Shell in Pernis.’
Marcel keek door het raam van de telefoonruimte.
‘Rotterdam?’
‘Ik ken geen tweede Pernis waar jij heen wilt.’
Hij begon te lachen. Niet hard, maar zo onverwacht dat een man naast hem opkeek.
‘Zeg het nog eens.’
‘Je gaat naar huis, Marcel. Eerst laden.’
Die avond schreef hij aan Anja een kaart die waarschijnlijk later zou aankomen dan hijzelf. Op de voorkant stond een Duitse stad bij avondlicht. Op de achterkant schreef hij: Koop maar gehakt. Ik bel voor de zekerheid als ik de grens over ben.
Daarna belde hij Bert.
Die nam thuis op. Op de achtergrond klonk een televisie.
‘En?’ vroeg hij.
‘Nog steeds bijna thuis.’
Bert lachte zo hard dat ergens achter hem iemand vroeg wie er aan de telefoon was.
Hoofdstuk 14 De goede kant van de tunnel
Bij Bayer in Leverkusen begon het laatste stuk met wachten op een laadplaats. Marcel vond dat passend. Een reis die bijna vijf weken had geduurd, zou zich niet door zijn ongeduld laten afronden.
De tank was opnieuw gereinigd en geschikt bevonden voor de natronloog. Hij controleerde de papieren voor de partij die naar Shell Pernis ging. Het product leek op de lading waarmee hij vertrokken was, maar dit was een andere zending, van een andere laadplaats, voor een bevestigde ontvanger.
Op het naastgelegen vak stond een groene MAN. De chauffeur vroeg in het Duits waar hij vandaan kwam.
Marcel dacht even na.
‘Vandaag? Ludwigshafen.’
De man glimlachte. Hij kende dat soort antwoord.
Na het laden reed Marcel noordwaarts. Hij had voldoende tijd en liet dat zo. Bij de laatste overnachting vóór Nederland maakte hij de cabine schoon, vouwde zijn kleding en vond onder het bed een mandarijnenpit. Hij hield hem op zijn handpalm alsof het een vreemd muntstuk was.
In zijn schrift stonden bedragen, namen, telefoonnummers, een paar boze zinnen en een tekening van een slechte douche. Op de eerste bladzijde stond Rouen nog steeds bovenaan. De rest van de reis had zich eronder gevoegd zonder ooit toestemming te vragen.
Toen hij de volgende dag Nederland binnenreed, zette hij de radio harder. Hij herkende reclame, weerbericht, een stem die over een file sprak alsof de hele wereld tussen Utrecht en Gouda paste.
Hij belde Els bij de eerste geschikte stop.
‘Ik ben in Nederland.’
‘Dat dacht ik al. Je klinkt ineens ongeduldig.’
‘Valt mee.’
‘Mooi. Want Shell verwacht je morgen vroeg.’
Hij keek naar de lucht en knikte.
‘Dan ben ik er morgen vroeg.’
Op het bedrijfsterrein stond Gert bij de werkplaats. Geen koorts meer, wel dezelfde kritische blik. Zijn jas hing open en hij had alweer een pen achter zijn oor. Toen hij de rode DAF zag, liep hij naar voren alsof er een oude bekende thuiskwam.
Marcel parkeerde de nog geladen combinatie op de daarvoor bestemde plek. Hij bleef die nacht bij zijn rit en ging eerst naar kantoor voor de overdracht van de papieren. Morgen zou hij lossen. Daarna pas echt thuiskomen.
Gert liep om de gehuurde tank heen en voelde aan de linker kast.
‘Sluiting gemaakt?’
‘Ja.’
‘Mooi. Scheelt mij zeuren.’
Hij keek Marcel aan.
‘Beviel Frankrijk?’
Marcel trok zijn tas van de opstap.
‘Groot land.’
In het kantoor stond Els op toen hij binnenkwam. Ze gaf hem een korte omhelzing, alsof ze zichzelf er halverwege op betrapte, en pakte daarna zijn map.
‘Bonnetjes apart?’
‘Per valuta.’
‘Nu ga je overdrijven.’
Henk kwam uit zijn kamer. Marcel zette de thermoskan op het bureau.
‘Van de zaak,’ zei hij.
Henk draaide hem in zijn handen. Er zat een deuk in die er bij vertrek niet had gezeten.
‘Je hebt hem gebruikt.’
‘Daar vroeg je niet naar.’
Ze lachten. Daarna vertelde Marcel over de berm, het wachten, Nadia, de boot. Niet alles. Sommige dingen waren nog geen verhaal geworden; die zaten nog in zijn lichaam, als een schok wanneer ergens een deurklink bewoog.
Henk luisterde tot hij klaar was.
‘Gert krijgt zijn DAF terug. Als jij verder wilt met internationaal werk, zoeken we een passende wagen voor je. Geplande ritten. Goede voorbereiding. Niet weer zo beginnen.’
Marcel keek naar Els. Zij knikte, maar zei niets voor hem.
‘Ik wil eerst een paar dagen thuis,’ zei hij.
‘Dat krijg je.’
‘En daarna wil ik wel weer weg.’
De volgende ochtend reed hij naar Shell Pernis. De afslag kende hij van zijn rondjes met de kleine Mercedes. Hij had hier vaak onderdelen afgeleverd bij bedrijven in de buurt. Nu volgde achter hem een tanklading uit Leverkusen en voelde de vertrouwde weg een beetje anders onder zijn wielen.
Bij de ontvangst vroeg de medewerker of hij hier eerder geweest was.
‘In de buurt,’ zei Marcel.
De lossing verliep zonder verhaal. Controles, aansluiten door de bevoegde mensen volgens de terreinprocedure, wachten, afronden. Niemand vroeg om een vreemde stempel. Niemand belde dat hij naar een andere kust moest.
Toen de laatste papieren getekend waren, bleef hij een ogenblik op de stoel zitten. De motor liep nog niet. Buiten trok iemand een karretje over het terrein.
Hij legde zijn hand op het stuur.
‘Zo,’ zei hij.
Die avond deed Anja open voordat hij had aangebeld. Ze keek naar zijn baard, die langer was geworden, en naar de tas in zijn hand.
‘Je had toch alleen een paar onderbroeken mee?’
‘Die heb ik onderweg uitgebreid.’
Op tafel stonden aardappels, groente en een schaal gehaktballen. Hij waste zijn handen in een wastafel die niet op muntgeld werkte. Toen hij ging zitten, bleef zijn stoel stil staan.
Anja schepte op en schoof de schaal naar hem toe.
‘Nou,’ zei ze. ‘Vertel.’
Marcel keek naar het eten. Hij zag Bert met zijn mandarijnen, Karin naast een bord saus, Radu boven een kom soep. Hij hoorde Els zeggen dat ze de rest zou regelen.
‘Er werd een collega ziek,’ begon hij.
Buiten reed een brommer door de straat. Het was niet die van zijn buurman. Marcel luisterde tot het geluid verdwenen was en pakte toen zijn vork.